Danielle Coune, voorzitster van Maison de l’Urbanité
Lorianne Lange, Architecte, Projectverantwoordelijke, Maison de l’Urbanité
Het nieuwe Schéma de Développement du Territoire(SDT) (Ruimtelijk Ontwikkelingsplan) van het Waalse Gewest maakt deel uit van de hervorming van de Code du Développement Territorial(CoDT-R) (het Wetboek van Ruimtelijke Ordening). Dit nieuwe plan is bedoeld ter vervanging van het Schéma de Développement de l’Espace Régional(Gewestelijk Ruimtelijk Ontwikkelingsplan) (SDER), dat in 1999 werd aangenomen, en volgt grotendeels de principes en doelstellingen van het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan dat in 2019 al in voege was.
Welke regionale doelen liggen aan de basis van dit plan?
Het SDT definieert 20 doelstellingen op basis van drie assen. Die komen overeen met de drie pijlers waarop een duurzame ontwikkeling rust: milieu, economie en maatschappij.
Ze zijn allemaal gericht op eenzelfde doel: de optimalisatie van ruimtebeslag, in een poging om artificieel bodemgebruik onder controle te houden en stedelijke wildgroei tegen te gaan.
Vandaag zetten Wallonië en de gemeenten al belangrijke in de goede richting, door gebruik te maken van de instrumenten die door de CoDT worden voorgesteld.
Denk aan stadsvernieuwing en -regeneratie, zones voor herontwikkeling (Site à Réaménager, SAR), grondbeleid, beheer van vergunningen en planning. Maar deze beleidsmaatregelen moeten worden versterkt en samengebracht in een gemeenschappelijk beleid. Daarom heeft de regering besloten om het SDT te actualiseren en de CoDT te hervormen.

DE 12 GROTE WERKPUNTEN VAN HET SDT: VISIE, KERNGEBIEDEN EN RUIMTELIJKE STRUCTUUR
- Ontwikkeling en welvaart voor alle regio’s garanderen: geen enkele regio blijft achter
- Ongelijkheid bestrijden: niemand mag achterblijven
- Aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering en de oorzaken ervan terugdringen
- Een antwoord bieden op huisvestingsbehoeften en de nabijheid van voorzieningen garanderen
- Wallonië op de kaart van Europa zetten
- Gezondheid en welzijn voor iedereen verbeteren
- Werken aan een koolstofvrije mobiliteit en actieve transportmiddelen inzetten
- Zorgen voor toegang tot koolstofarme energie
- Biodiversiteit ontwikkelen, herstellen en behouden
- De circulaire economie bevorderen
- Leren leven met onzekerheid en verandering
- Collectief en gecoördineerd handelen
Met 2050 als horizon tekent het SDT een globale visie uit voor heel Wallonië.
Vandaag wordt de benaming Betonstop tegen 2050 strikt genomen niet meer gebruikt, maar ze blijft wel de rode draad doorheen deze visie, die opgedeeld is in zes ambities.
6 ambities om deze doelstellingen te bereiken
- Het grondgebied optimaliseren door artificieel grondgebruik tegen te gaan
Tegen 2050 zal Wallonië zijn grondgebied geoptimaliseerd hebben door artificieel grondgebruik te beperken, stadsuitbreiding tegen te gaan en een leefomgeving van hoge kwaliteit te garanderen.
- Het gebruik van actieve transportmiddelen en het openbaar vervoer versterken
Wallonië zal zijn grondgebied organiseren om energieverbruik te verminderen en klimaatbestendig te worden. Het zal het gebruik van actieve transportmiddelen en openbaar vervoer versterken.
- Toegangspoorten openzetten
Luik, Charleroi en Bergen/La Louvière zullen hun rol als toegangspoorten tot Wallonië blijven spelen. Door Namen te verbinden met de grootstedelijke gebieden van Noordwest-Europa, zal deze stad haar rol als gewestelijke hoofdstad versterken.
- Een innoverende samenwerking tot stand brengen met de naburige gewesten
- Online verbonden zijn
Wallonië zal fysiek en digitaal verbonden, creatief, aantrekkelijk en open zijn.
- Wallonië verdedigt de waarden van gastvrijheid, solidariteit en burgerparticipatie
Kernversterking, een prioriteit
Dit nieuwe SDT kan niet gevat worden zonder de juiste inschatting van een nieuw basisconcept: kernversterking.
Wallonië kan bogen op een netwerk van dorpen en kleine en grote steden. Dit netwerk is één van de grootste troeven voor de ontwikkeling van de regio. In de dorpskernen en stedelijke centra vinden we een grotere concentratie van woningen, een dichte nabijheid van diensten en voorzieningen en een goede toegang tot openbaar vervoer. Maar de verstedelijkte gebieden buiten die kernen zijn excentrisch. Daarom zullen de voorzieningen en diensten meer ontwikkeld worden in het hart van de kernen en langs de assen die deze kernen met elkaar verbinden.
‘Een gemeente kan de omtrek van een kern zoals die in het nieuwe SDT vooraf werd omschreven, nog altijd wijzigen.’
Het SDT definieert de kerngebieden bij benadering. Er wordt er minstens één per gemeente voorgesteld, maar het is aan de gemeenten om ze nauwkeuriger te definiëren door een Gemeentelijk Ontwikkelingsplan uit te werken. Elke gemeente heeft vijf jaar de tijd om haar eigen plan, en dus haar eigen kernomvang, kenbaar te maken.
Als dat niet lukt, maakt het SDT zelf een kaart op van de kerngebieden, een zogenaamde Kernenatlas, gebaseerd op de bestaande situatie en de statistieken van het Institut Wallon de l’Evaluation, de la Prospective et de la Statistique (IWEPS).
Via het subsidiariteitsprincipe wil het SDT de gemeenten meer autonomie en verantwoordelijkheid geven bij de ontwikkeling van hun grondgebied. Omdat zij de beste kennis hebben van de lokale situatie, worden de gemeenten aangemoedigd om deze kans te grijpen, hun grondgebied af te bakenen en te bepalen welke richtlijnen er moeten gevolgd, gerespecteerd en geïmplementeerd worden. Zo worden deze planningsprincipes zo relevant mogelijk. De richtlijnen kunnen niet tegen het SDT ingaan, ze zijn eerder een bijsturing ervan.
Ook worden de kerngebieden versterkt. Ze zullen plaats bieden aan een hogere woondensiteit, winkels en kantoren. Activiteiten die niet gerechtvaardigd zijn in kerngebieden – zoals industriële activiteiten, opslag van zware goederen en vrijetijdsactiviteiten – zullen zich kunnen blijven ontwikkelen in de buitengebieden. Ook in die buitengebieden komt woongelegenheid, maar in mindere mate dan in de kerngebieden.
Tijdens de parlementaire zitting van 11 juli 2023 antwoordde minister Willy Borsus op een vraag van parlementslid Véronica Cremasco over de uitbreiding van kerngebieden door gemeenten als volgt: ‘Wat de uitbreiding van kerngebieden betreft, is er géén drempel voor de toepassing ervan, niet van 50% noch van enig andere. Een gemeente kan haar gebied naar eigen goeddunken uitbreiden, zolang de kerngebieden zowel voldoen aan de ontwikkelingsbehoeften van de gemeente als aan de criteria van dichtheid en toegankelijkheid van diensten en voorzieningen, én van een openbaar-vervoeraanbod. Afhankelijk van de specifieke kenmerken van de gemeente zullen de kerngebieden ook kunnen bepaald worden aan de hand van een bereikbaarheid van minder dan 15 minuten. Dit in tegenstelling tot het SDT. Daar gaat het over een bereikbaarheid van 10 minuten te voet. De gemeenten definiëren zelf deze 15 minuten-toegankelijkheid tot basisvoorzieningen voor wonen, dienstenen openbaar vervoersaanbod.’
Ook het concept traject is erg belangrijk in deze context: we moeten een schatting kunnen maken van het aantal hectare dat gemeenten nog kunnen verstedelijken om tegen 2050 netto geen artificieel grondbeslag meer te hebben en 75% van de woonbebouwing in kerngebieden gerealiseerd te hebben. Er dient vandaag al nagedacht te worden over het opzetten van een strategie om dat doel te bereiken, want dit wordt een werk van lange adem.

Conclusie
Het rechtstreeks de CoDT gekoppelde SDT blijft een instrument van indicatieve waarde. En ondanks de wijzigingen die in dit nieuwe plan naar voren worden geschoven, blijven er vragen bestaan.
Kunnen de principes van het SDT echt worden toegepast zonder de gewestplannen te wijzigen en zonder het degraderen van bepaalde verstedelijkte zones die niets meer met een kern te maken hebben? Zullen gemeenten hun uitbreidende verstedelijking echt kunnen beperken zonder een beroep te doen op enige compensatie (zoals in Vlaanderen)?
Want het is vrij zeker dat dit binnen de kerngebieden zal leiden tot een stijging van de grondwaarde, en vooral ook tot een waardedaling buiten deze gebieden.
Elke gemeente moet dan ook haar verantwoordelijkheid nemen op het vlak van ruimtelijke ordening en gebiedsontwikkeling, maar dat moet gepaard gaan met operationele middelen, om onder andere deze grondkwestie aan te pakken.
Laten we ook eens kijken naar de cijfers die het IWEPS geeft over de dichtheid van deze kerngebieden. In de meeste gevallen is de toename in dichtheid aanzienlijk, en dat geeft aanleiding tot andere problemen, vooral met betrekking tot het behoud en de opwaardering van bestaand patrimonium. Zeker in kleinere plattelandsdorpen.
Hoe kan dit instrument bovendien ingezet worden zonder het los te koppelen van andere bestaande of gebruikte instrumenten, zoals het Vesderplan, hydrologische en hydraulische studies en meer?
Tot slot lijkt het ons cruciaal dat er een toezichtsorgaan in het leven wordt geroepen dat de geïmplementeerde principes van dit nieuwe ruimtelijk ontwikkelingsplan kan evalueren.
Meer inlichtingen
https://lampspw.wallonie.be/dgo4/site_amenagement/amenagement/sdt












Je moet ingelogd zijn om een reactie te plaatsen.